Waarom en hoe, een inleiding tot mijn werk
In een wat breder verband wil ik hier proberen iets over mijn werk en de achtergrond daarvan toe te lichten. Eerdere inleidingen, geschreven sinds deze website bestaat (2003) vindt u nu in het menu links onder het kopje Artikelen, samen met andere teksten.
Het waarom
In een televisie-interview met de schrijver Jan Siebelink zei deze onder meer: "De literatuur gaat over het raadselachtige van de mens." * Ik dacht toen ik dit hoorde onmiddellijk: bij mij gaat het om het raadselachtige van wat je ziet. En in al datgene wat zichtbaar is, is de mens een vluchtig, een snel voorbijgaand en daardoor voor mij verwaarloosbaar element.
Het is schokkend stil te staan bij het verschijnsel aarde. Denkend aan het immense heelal, duister, onmeetbaar, koud, beseffend dat onze planeet, onaanzienlijk in grootte en rangschikking, een zo kleurrijke verschijning is, zo afwisselend en verrassend, een schitterend juweel in de grote leegte en temidden van de voor mensen onbewoonbare andere hemellichamen, is deze gedachte de voornaamste impuls voor mijn werk.
Ik heb niet de illusie een antwoord te kunnen vinden op het raadsel van het bestaan. Mijn enige weg is dit raadsel te beleven en te verwerken, letterlijk. Het meten van mijn voelen en denken aan het landschap in het besef op deze planeet te leven als een minuscuul element in het overweldigend onbevattelijke, het is me genoeg om daar doorgaand uitdrukking aan te geven.
Heeft dat zin? Is dat van enig belang? Ach, het beleven van het zinloze is van een peilloze diepte, en, nogmaals, dat is genoeg.
* Jan Siebelink in een gesprek met Willem Brands (VPRO televisie: 'Boeken'), juli 2011
Invloeden
HET LANDSCHAP
Onontkoombaar is het landschap mijn punt van uitgang. Het begrip 'landschap' moet hier worden begrepen als datgene wat rondom aangetroffen wordt, bijvoorbeeld ook de stedelijke omgeving en dan vooral stadsranden of andere rafelige situaties.
In mijn waarnemingen, speurend naar impulsen, kwam ik op de volgende voorkeursvelden:
-de Yorkshire Dales en de westkust van Schotland in de jaren 70 van de vorige eeuw
-in de jaren 1980 tot ongeveer 2000: Australië, en dan vooral de woestijn en het wilde noorden
-de polders en de kust van Zeeuws Vlaanderen en de Schelde in het begin van deze eeuw
-in 2002 de schijnbare eindeloosheid van Mongolië
-in de volgende jaren allerlei aspecten van het Chinese landschap (vooral het noorden en westen)
-de Taklamakan woestijn in noordwest China en de gebieden rondom deze barre streek, de noordelijke en zuidelijke zijderoute
-en tenslotte in 2011 opnieuw het westen van China, ditmaal de provincie Qinghai.
LITERATUUR, MUZIEK EN BEELDENDE KUNST
Behalve de invloed die uitgaat van het gekozen landschap worden gevoelens en gedachten gevoed vanuit literatuur, muziek en ook de beeldende kunst.
Een noodzakelijk onvolledige korte opsomming: het lezen van het werk van Franz Kafka, Albert Camus en zeker ook Witold Gombrowicz in de zestiger/zeventiger jaren van de vorige eeuw stimuleerde mij het pad van de onzekerheid te kiezen. In dit rijtje mag Robert Musil niet ontbreken. Later las ik werk van Babel en Platonov en meer recent Sebald en Houellebeque.
Dit alles wordt echter overschaduwd door het lezen van Zhuang Zi zijn schetsen, levenslessen, waarin het relatieve en lachwekkende van leven en streven scherp worden belicht.
Voor wat betreft de poëzie lees en herlees ik werk van Wallace Stevens en Pessoa naast gedichten van Josef Brodsky, Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg en Cees Nooteboom. Terwijl ik van de jongste generatie in de gedichten van Mustafa Stitou heel veel herken.
Jammer dat een lijst als deze altijd onvolledig moet zijn.
Hetzelfde geldt als ik het heb over muziek. Ik ben een muzikale alles-eter.
Leidraad voor het opstellen van dit lijstje is de muziek die ik op mijn atelier vaak beluister: die van Joseph Haydn bijvoorbeeld en de laatste strijkkwartetten van Beethoven, en ook zijn werk voor cello en piano. Nogmaals, ik ben hier onvolledig, maar het werk van Janaçek moet ik hier noemen, en ook dat van Poulenc. En dan de opera’s van Sjostakovitsj, heel veel van wat Schnittke, Pårt en Britten componeerden en vrijwel alles van Goebaidoelina en Oestwolskaja.
In de jazz betekent vooral het werk van Thelounious Monk veel voor mij.
Vanuit de beeldende kunst komen vanzelfsprekend ook stimulansen, maar eerlijkheid gebiedt me te schrijven dat de invloed van wat ik lees of hoor groter is.
Veel niet-Europese kunst is van invloed en daarvan noem ik de grot-schilderingen van de Wondjina-stam uit het noordwesten van Australië, de geweldige vormentaal uit de Chinese Shang-dynastie (ong. 1600-11 v.Chr.)en die uit de latere Han-dynastie (3de eeuw). Op geen enkele manier echter heb ik de neiging deze vormentaal na te volgen, na te bootsen. Wel heb ik, eind 80er/begin 90er-jaren van de vorige eeuw, pogingen gedaan om tot een soort symboliek te komen. Dat bleek een snel doodlopend pad.
Binnen de Europese kunst word ik diep beroerd door wat men in de Romaanse tijd voortbracht. Fascinerend vind ik vooral de volstrekte gelijkwaardigheid van figuratie en abstractie. Dit werd later helaas teniet gedaan door wat Colin Renfrew omschreef als 'The terror of the Renaissance' *. Hij beschrijft hier de dwingende suprematie van 'het gelijkende'.
Dat neemt niet weg dat ik diep geraakt wordt door het werk van Giotto, Pierro della Francesca, Ucello, onder vele, vele andere schilders uit die periode.
Uit de lange tijd daarna wil ik enkele namen noemen: Hercules Seghers en Velasquez. En waar ik in musea altijd naar zoek zijn schilderijen van Philips Koninck, heerlijke, voor mij zeer nabije 'Hollandse' landschappen met soms vervreemdende toevoegingen!
Van de 19de en vroeg 20ste eeuw noem ik weer slechts enkele namen, maar denk niet dat ik ander werk hiermee wil veronachtzamen…: Henri Matisse en Edward Munch, en dan vooral zijn landschappen.
Toen ik jong was ondervond ik veel directe invloed van kunstenaars uit de z.g. Nieuwe Figuratie, met name het werk van Raveel blijft mij nog steeds boeien.
Kort geleden in Kopenhagen, kwam ik nog meer onder de indruk van het werk van Per Kirkeby.
* Colin Renfrew: 'Figuring it out', Thames & Hudson, London 2003, ISBN 0-500-05114-3
Het hoe, technieken
GRAFIEK
Mijn grafische opleiding aan het instituut dat later de Gerrit Rietveldacademie ging heten klonk lang na, ook in het schilderen en het aanvankelijk meer sporadische tekenen. Als grafische techniek ging mijn voorkeur van het begin af aan uit naar de zeefdruk. Zo nu en dan greep ik om geheel verschillende redenen naar gutsen en linoleum, maar de zeefdruk bleef tot voor kort het belangrijkste grafisch medium.
Om financiële redenen zowel als uit ruimtegebrek schafte ik niet zelf de benodigde apparatuur aan, maar zocht samenwerking met een goede drukker. Niet dat ik een ontwerp aan de drukker overhandigde om vervolgens na enige tijd de oplage bij hem op te halen. Integendeel, ik werkte altijd graag mee, greep in waar ik het nodig achtte en mengde ter plekke de door mij gewenste kleuren.
Vanaf 1973 en volgende jaren werkte ik eerst samen met Rolf Henderson, daarna, tot begin jaren 80 drukte ik de prenten bij de Londonse meesterdrukker Chris Prater (Kelpra Studio). Toen dit vanwege het toen dramatisch stijgende Engelse pond al te kostbaar werd was Bernard Ruijgrok de volgende drukker. Bernard is een begenadigd drukker en begeleider. Een voorbeeld: aanvankelijk was mijn werk in scherp afgetekende kleurvlakken gedacht, maar toen ik meer direct ging werken, meer spontaan - ook in het tekenen en schilderen was dat het geval - heeft hij mij technische mogelijkheden aan de hand gedaan waardoor ik het zeefdrukken als medium kon behouden. Pas na 2000 nam ik afscheid van die techniek en koos voor de piëzografie, ook al op initiatief van Ruijgrok.
De linosnede paste ik minder vaak toe; het blijft echter steeds een vorm van werken waar ik graag gebruik van maak, al was het alleen al omdat je door deze techniek gedwongen wordt je gedachten sterk te organiseren en deze ordening kan tot een welkome herschikking leiden.
De Kunstenaarsboeken ontstaan -anders dan de prenten, ook al worden deze laatste soms in samenhangende serie gemaakt- vanuit een andere achtergrond. Deze boeken, soms gebonden maar het kunnen ook losbladige verzamelingen in cassette of map zijn, worden meestal gemaakt vanuit een literaire achtergrond, bijvoorbeeld een keuze van tekstfragmenten uit gedichten van Wallace Stevens ('One must have a Mind of Winter') of een andere dichter, W.S. Graham ('Benaderingen van hoe ze zich gedragen') Richard Pietraß ('Holderdepolder/Holterdiepolder'), dan wel put ik uit werk van verschillende dichters (de boeken 'Elementen' en 'Water'). Mijn laatste bibliofiele uitgave tot nu toe was het boek 'Langs de Rivier de Wang', een co-productie met René Bakker met gedichten van Wang Wei en Pei Di, dichters uit de Chinese Tang-periode.
Maar ook op andere wijze ontstaan soms de bibliofiele uitgaven, bijvoorbeeld in 1981-83 het boek 'Grenzen/Overgangen' of in 1985 'Notities over 50 jaar', een opdracht van John Loose in het jaar dat ik 50 werd om een losbladig boek te maken met steeds één blad over elk jaar van mijn leven.
Mijn eerste kunstenaarsboek verscheen in opdracht van Atalanta Pers te Baarn in 1982. Het was een bloemlezing van gedichten over de vier seizoenen bijeengezocht door Jacques Hamelink: 'Als een boom die bloeit en overwintert'. Nadien heeft Atalanta Pers meer bibliofiele uitgaven van mijn hand het licht doen zien. Ook bracht ik zelf boeken uit, vaak via de eigen uitgeverij 'Derby Pier'.
TEKENEN
Tot aan 1988 tekende ik niet veelvuldig. De tekeningen die ik voordien maakte kenmerken zich door een strakke organisatie en lijnvoering (zelfs het gebruik van de liniaal werd soms niet geschuwd). Als er al getekend werd dan hing de tekening zeer nauw samen met het schilderen, waarover iets later meer.
In 1987 bezocht ik voor het eerst Australië en het landschap dat ik daar aantrof, woestijnranden vooral maar ook kusten,beïnvloedde mij zodanig dat het tekenen iets totaal anders voor mij werd. De tekening werd een eerste, vaak heftige reactie op hetgeen werd waargenomen. De spontaniteit werd als het ware in mij bevrijd. Werd voordien vooral de technische tekenpen het meest gebruikt, al heel snel werd deze ingeruild tegen het penseel. Sindsdien is meer dan 90% van mijn tekeningen met het penseel ontstaan, aanvankelijk met verf, later met Chinese inkt; eerst op aquarelpapier, later vooral op moerbeipapier.
De penseeltekeningen worden soms aangevuld met wat kleur en schiet dit een beetje door dan ontstaat al snel een aquarel. Kan het dan een aquarel genoemd worden of een ingekleurde tekening? Mij maakt het niets uit hoe men het noemt.
SCHILDEREN
Was het in het begin van mijn tijd als vrij werkend kunstenaar zo dat het grafisch werk me het meest in beslag kwam, allengs werd schilderen een belangrijke bezigheid. De precisie die mijn gedrukte werk in die tijd kenmerkte (die trouwens ook gold voor de weinige tekeningen), kenmerkte zeker ook mijn schilderijen. En, zoals bij het tekenen, dat veranderde direct tijdens en na mijn eerste Australië-reis.
Maar wat ook veranderde: er ontstond een soms groot verschil tussen tekenen en schilderen. (Zie in het menu links onder het kopje Artikelen: 'Over het tekenen en het schilderen')
De vroege schilderijen werden na de academieperiode, waarin vele technieken door elkaar werden beproefd, gemaakt in scherp afgetekende kleurvlakken. De verf was synthetisch, eerst op caparol-basis op kleur gebracht met poederpigmenten, later werd het acrylverf. De zichtbare penseelstreek of andere tekenen van emotie dienden zoveel mogelijk te worden vermeden.
Omdat, zoals ik eerder schreef, ik werkte en werk vanuit het gebied van de onzekerheid, een zodanig kwetsbaar punt van uitgang dat ik toen meende dat in de toegepaste techniek hiervan niets mocht blijken, moest het oppervlak zo min mogelijk 'meedoen' in wat ik beoogde te laten zien.
Na een tijd waarin er al van meer beweging sprake was in het beeld maar mijn techniek nog als het ware vastzat, kwam in 1987 de schok die het Australische landschap teweeg bracht. Ik schreef over deze periode onder 'TEKENEN'.
Ook in de techniek van het schilderen had dat gevolgen. De penseelstreek werd vrijer en de kleuren overschreden soms hun grenzen. Aanvankelijk werkte ik nog steeds met de, inmiddels sterk verbeterde, acrylverf.
Weer iets later, omstreeks 1995, werden snelle acrylschetsen gemaakt die na het opschuren werden overgeschilderd in olieverf. Tegenwoordig is het vrijwel uitsluitend olieverf waarmee gewerkt wordt. Ik verkies deze verf vanwege de vele mogelijkheden die ze biedt, zo wordt er nu bijvoorbeeld ook geglaceerd. Ik geef toe dat dit met de huidige synthetische verven ook mogelijk is, maar, misschien is wel het belangrijkste dat olieverf zo lekker, zo uitnodigend ruikt.
Hans Landsaat, september 2011
